De CITO-toets nader bekeken
25 december 2011
De CITO-eindtoets zorgt ieder jaar weer voor de nodige spanningen en hoofdbrekens. Het is nog maar de vraag wie er zenuwachtiger is: het kroost, of de ouders. Niet geheel verwonderlijk, want de CITO-score bepaalt mede hoe het vervolgonderwijs eruit gaat zien. Hieronder belichten we een aantal aspecten van dit oh zo belangrijke toetsmoment.
De achtergrond van de CITO
In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is de CITO-toets geen intelligentietest, maar een leervorderingstoets. Met de CITO-toets wordt gemeten hoe de beheersing van bepaalde leervaardigheden is, bijvoorbeeld rekenen, begrijpend lezen en het vermogen om tabellen en grafieken te interpreteren. Deze leervorderingen vormen een indicatie voor de prestatiemogelijkheden op het voortgezet onderwijs.
Een ander misverstand is de doorslaggevendheid van de CITO-eindtoets. Hoewel de CITO-score zeer zeker meeweegt voor de uiteindelijke schoolkeuze, is het advies van de basisschool minstens zo belangrijk. Dat is ook niet verwonderlijk: de leerkrachten van de basisschool kennen en volgen uw kind al jaren, en kunnen zodoende een goede inschatting maken van zijn of haar capaciteiten.
Hoe ziet de CITO-toets eruit?
De CITO-eindtoets is opgebouwd uit meerkeuzevragen op de gebieden taal, wiskunde, studievaardigheden, rekenen en wereldoriëntatie. Aangezien wereldoriëntatie een optioneel onderdeel is, zal niet iedere basisschool dit onderdeel van de toets afnemen. Kiest de school ervoor om dit onderdeel wél af te nemen, dan krijgt de leerling hierover 90 vragen voorgeschoteld. De subonderdelen aardrijkskunde, geschiedenis en natuuronderwijs zijn hierin evenredig verdeeld. Ook de andere toetsgebieden zijn weer onderverdeeld in subcategorieën. In totaal is de toets als volgt opgebouwd:
| Taal (100 vragen) |
Studievaardigheden (40 vragen) |
Rekenen en Wiskunde (60 vragen) |
Wereldoriëntatie (Optioneel: 90 vragen) |
| Invullen teksten (30) | Studietekst (10) | Getallen en bewerkingen (25) | Aardrijkskunde (30) |
| Spelling (20) | Informatiebronnen (10) | Verhoudingen, breuken en procenten (20) | Geschiedenis (30) |
| Begrijpend lezen (30) | Schema’s, grafieken en tabellen (10) | Meetkunde, tijd en geld (15) | Natuuronderwijs (30) |
| Woordenschat (20) | Kaartlezen (10) | X | X |
Al deze onderdelen worden, verspreid over drie ochtenden, getoetst en beoordeeld. De prestaties van uw kind leiden uiteindelijk tot een totaalscore: de CITO-score. Deze score wordt uitgedrukt met een cijfer tussen de 501 en de 550.
Percentielscore
Hoewel de samenstellers van de toets streven naar gelijkwaardigheid, zal de CITO-toets het ene jaar toch nét iets makkelijker of moeilijker uitvallen dan het andere. Om deze afwijkingen in moeilijkheidsgraad op te vangen, wordt het totaal aantal goed beantwoorde vragen vertaald naar een percentielscore.
Een percentielscore is een getal tussen de 0 en de 100 en geeft aan welk percentage van de leerlingen een hogere of een lagere score heeft behaald. Om de CITO-toets te “vertalen” naar een uiteindelijke score, krijgt percentiel 50 (het percentiel waarbij 50% van de kinderen evenveel of lager scoorde) CITO-score 535. Is uw kind een gemiddelde leerling, dan zal zijn of haar CITO-score dus vrijwel altijd om en nabij de 535 liggen; ongeacht welke CITO-toets het kind aflegt.
Uitslag CITO-toets
In het CITO-rapport van uw kind staat niet alleen zijn of haar uiteindelijke CITO-score, maar ook de percentielscore per categorie en subcategorie. Hier kunt u zien welk percentage van de leerlingen een even goede of lagere score haalde dan uw zoon of dochter. Heeft uw kind voor een bepaald onderdeel, zoals Woordenschat, een percentielscore van 74, dan betekent dit dat 74% van alle leerlingen die deze toets maakten, eenzelfde of lager aantal opgaven goed gemaakt heeft.
De CITO-eindscore en het vervolgonderwijs
Allemaal leuk en aardig, die CITO-score, maar wat betekent dit nu concreet voor de middelbare school? Hoewel veel ouders deze vraag begrijpelijkerwijs stellen, is het beantwoorden ervan vers twee.
Zoals reeds gezegd hangt de keuze voor een bepaald type vervolgonderwijs niet alleen af van de CITO-score, maar ook van het advies van de basisschool. De CITO-toets is slechts een momentopname, en uw kind kan door allerlei omstandigheden op het moment van toetsing toch nét iets beter of slechter presteren dan verwacht. In de meeste gevallen is het echter zo dat het CITO-advies niet ver zal afwijken van hetgeen de basisschool voor ogen heeft, zodat enige indicatie wel degelijk mogelijk is.
| CITO-Score | Bijbehorend type vervolgonderwijs |
| 501 -522 | Basisberoepsgerichte leerweg |
| 522 – 527 | Basis- en kaderberoepsgerichte leerweg |
| 524 – 528 | Kaderberoepsgerichte leerweg |
| 528 – 532 | Kaderberoepsgerichte leerweg en gemengd-theoretische leerweg (voormalig mavo) |
| 530 – 535 | Gemengd-theoretische leerweg |
| 533 – 536 | Gemengd-theoretische leerweg en havo |
| 537 – 540 | Havo |
| 540 – 545 | Brugklas havo/vwo |
| 545 – 550 | Vwo |
Verwachtingen van ouders
Voor sommige ouders is het een teleurstelling wanneer hun kind geen Einstein blijkt te zijn. Over “lagere” onderwijsvormen, zoals het vmbo, bestaan veel vooroordelen, zodat ouders hun kinderen vaker en vaker pushen om tóch maar havo of vwo-niveau te proberen. Dit leidt tot teleurstellende resultaten, zowel bij de opvoeders als bij hun kinderen. Uiteindelijk zal zo’n 60% van het totaal aantal kinderen in Nederland een opleiding volgen op vmbo-niveau.

